Ilja nieuwsbrief december 2021

Onze huisantropologe Ilja Geelen is tot april 2022 in Marokko. Daar daar geeft ze op vrijwillige basis dansles aan onder andere uit huis geplaatste kinderen en tieners. Ilja neemt ons in haar blog mee.

Het hoogtepunt van mijn cultuurshock tot nu toe beleefde ik niet in de traditionele medina tussen de gesluierde vrouwen en bedelende tandeloze mannen. Ook op de jonge kinderen die me wanhopig pakjes tissues proberen te verkopen onder schooltijd, had ik me enigszins voorbereid. Ja, toen een groepje meiden uitbeeldde op welke manieren en met welke materialen ze op school werden geslagen (“ja natuurlijk ook op school!”), brak mijn hart even. Maar goed, ik ben antropoloog, ik moet mijn cultureel imperialistische oordelen voor me houden, niet teveel meningen hebben over een cultuur waarin ik niet ben opgegroeid. Of in elk geval niet voordat ik die goed heb leren kennen, vanuit alle perspectieven, en dat zit er voorlopig simpelweg niet in met mijn handen-en-voeten-Arabisch. Begrijp me niet verkeerd, het slaan van kinderen vind ik, hoe cultureel verklaarbaar ook, problematisch. En zo zijn er meer dingen – in Nederland net zo goed als in Marokko. Maar die zag ik aankomen en houd ik vooralsnog enigszins professioneel op afstand, totdat ik een productieve manier heb gevonden om er iets mee te doen. De grootste frustratie die ik tot nu toe heb durven toelaten, ligt veel dichter bij mezelf en betreft juist degenen tot wie ik de kleinste culturele en taalkundige afstand zou moeten hebben: mijn veelal hoogopgeleide, internationaal georiënteerde medevrijwilligers. 

Met vijf andere Nederlanders en een stuk of twintig Marokkaanse vrijwilligers komen we twee keer per week samen om wijken en parken op te ruimen en/of op te knappen. Een fijn staaltje burgerinitiatief waar Nederland in veel opzichten nog wat van kan leren. Heb je in Nederland nog net geen vergunning nodig om een stuk plastic van straat af te halen; hier schildert iemand gewoon de trapleuning rood omdat dat leuk staat. Bevalt het niet, dan schildert een ander hem weer zwart – en gaat vervolgens bovenaan het trapje staan om iedereen te waarschuwen dat de verf nat is. Een extra grappige observatie, vond ik, nu ik zo bewust bezig ben met participatief burgerschap in het kader van de volgende Via Berlin-voorstelling rondom acts of citizenship. Niet veel later bleek dit soort daadkracht echter wat zeldzamer en vooral ingewikkelder. Ja, er kan in Marokko vanalles zonder papieren en toestemmingen. Een groot deel van de economie is informeel en er is op sommige gebieden weinig handhaving. Zo merk je hier in het dagelijks leven helemaal niets aan coronamaatregelen, ongeacht wat de officiële wetgeving zegt. Maar in andere opzichten kun je als burger juist weer helemaal niets. De 170 fietsen die één van mijn medevrijwilligers in Nederland heeft ingezameld, stonden hier eerst weken aan de grens en staan nu alweer een maand ergens in een loods te wachten op een heleboel bureaucratisch gepuzzel. 

De kleine versie van deze overlegcultuur zie ik terug in het typische afdingen bij de marktkraampjes, maar ook in ons eigen vrijwilligerswerk. “We zijn een enorm collectivistische cultuur,” legde één van de vrijwilligers me uit terwijl we met zijn zessen stonden toe te kijken hoe twee mensen een plantje potten, voorzien van het nodige commentaar van de rest. Hij zuchtte net zo hard als ik zelf om het gebrek aan efficiëntie dat hij blijkbaar kenmerkend vond voor dit soort activiteiten, waar iedereen zich vooral heel erg  bemoeit met iedereen. “Mensen hebben hier gewoon geen respect voor tijd,” verzuchtte een ander, toen we voor de zoveelste keer zaten te wachten zonder te weten waarop precies. Het is dat ik niet steeds degene wil zijn die “yalla yalla” roept – wat overigens meestal wel werkt. Als iemand maar de knoop doorhakt om iets te gaan doen, dan gebeurt het ook. Maar daaraan vooraf gaat een lange fase van overleggen, onderhandelen, en wachten tot dat iedereen aan boord is. Voor mijn gestructureerde, efficiënte en vooral ook individualistische Nederlandse hoofd is dat extreem frustrerend. Maar na nog eens een weekje goed te hebben geobserveerd, begin ik de nuances wat beter te zien. Het woord ‘inefficiënt’ begint plaats te maken voor woorden als ‘zorgzaam’ en ‘democratisch’. In plaats van elkaar ongeduldig op te jagen of zelfs alvast te vertrekken, geven de mensen elkaar hier de tijd om zich op hun eigen tempo klaar te maken. En hoewel ik geneigd ben de aanwijzingen ten aanzien van mijn planttechniek op te vatten als commentaar, begrijp ik langzaam maar zeker dat het juist een vorm van betrokkenheid en aanmoediging is. Ik hoef hier niet bang te zijn iets verkeerd te doen, omdat er altijd iemand meekijkt of het goed gaat. En of ik wel genoeg eet, of de vloer waarop ik zit niet te koud en oncomfortabel is en, bij elke begroeting op straat, of “alles goed gaat”. Dat voelt voor mij controlerend en verstikkend, maar het is ook liefdevol en beschermend. 

Laatst zei ik in de buurtsuper voor de grap “ik heb honger”, waarop mijn drie huisgenoten en ik per direct twee dadels en een zak chips kregen toegestopt. Nu is deze winkeleigenaar wellicht niet volledig objectief (hij schijnt met me te willen trouwen), maar toch geeft dit voorval iets aan over de onderlinge zorgzaamheid van de mensen hier. Dat zie je ook weerspiegeld in de bijzonder goede gezondheid van de zwerfkatten. De sociale zorg en solidariteit is groot; de enkele keer dat ik word lastig gevallen springt er meteen iemand vanachter het dichtstbijzijnde winkelkraampje vandaan om de boel te sussen. De sociale controle die mij soms wat benauwd maakt, beschermt me dus ook tegen narigheid. Tegelijkertijd is de sfeer in deze stad tolerant, op een ‘laisser faire’ manier. Gesluierde meiden lopen arm in arm met meiden in skinny jeans. Mensen kijken soms raar op van mijn losse blonde haren en mijn West-Europese kledingkeuze, maar niemand zal me opdragen het anders te doen. Soms vragen mijn leerlingen naar mijn religie, mijn burgerlijke staat, mijn dromen. Ik antwoord altijd eerlijk en krijg daar niets dan nieuwsgierigheid voor terug. Al zal het onderling wellicht wat complexer liggen, de diversiteit in het straatbeeld toont toch een zekere tolerantie, een ‘ga je gang’ mentaliteit die ik nog moeilijk kan rijmen met de collectivistische mentaliteit die ik óók zie.

Samen met mijn Nederlandse huisgenoten moet ik vaak lachen om trekjes die wij opvatten als typisch Marokkaans, zoals de losse omgang met tijd en planning. Maar in de praktijk is ‘de cultuur’ helemaal niet zo makkelijk te duiden. De gang van zaken wordt immers nog altijd bepaald door individuen, die samen steeds andere groepen vormen en zich vanuit steeds wisselende rollen en taken tot elkaar verhouden. De invloed van de stad en de regio is net zo groot als die van de landelijke politiek en religie. Elke familie en vriendengroep heeft ook weer zijn eigen subcultuurtje en ook daarbinnen vind je weer individuen die er net even anders over denken. Wat overigens net zozeer geldt tussen mijn huisgenoten en mij onderling. Want ja, ‘dé Marokkaan’ bestaat niet, evenmin als ‘dé Nederlander’. Het zal dus nog wel even duren voordat ik echt kan zeggen dat ik begrijp ‘hoe de boel hier werkt’…


Onderzoekje naar kledingverhalen voor via berlin in de woonkamer van ons appartement.


Medevrijwilligers, net afval geruimd in het bos.

 


Buitenles met de jongens en meiden van de tehuizen (ze wonen gescheiden op gender),
die bij elkaar op bezoek kwamen tijdens de vakantie.