Nieuwsbrief januari 2022

Dit keer schrijft Ilja over een uitstapje naar de bergen, dat haar gemengde gevoelens oplevert. Het kostte haar een paar re-writes om haar frustratie om te zetten en te nuanceren. Toch houdt ze uiteindelijk warme gevoelens over aan de Marokkaanse cultuur zoals zij die tot nu toe meekrijgt.

“Is dit van jou?” vraag ik terwijl ik een plastic flesje omhoog houd. Ik sta op een berg met een stuk of dertig Marokkaanse studenten. Onderweg heb ik me al meerdere malen geërgerd aan het afval dat ik overal zag liggen. Net als de andere bergen, bossen en parken die ik tot nu toe heb bezocht ligt het hier vol met plastic flesjes, tasjes, snoepverpakkingen en frisdrankblikjes. Je kunt precies zien wanneer je in de buurt van een mooi uitzichtpunt komt; daar liggen de resten van volledige maaltijden tegen de helling. Aan de tasjes die verstrikt raken in de struiken kun je zien hoe de wind meestal staat. Het doet me, vrij letterlijk, pijn. Het hele jaar heb ik verlangd naar de bergen, die ik in Nederland zo mis. In de busreis hier naartoe benam elke bocht me weer de adem, zo mooi was het uitzicht over het dal. Ik heb tot nu toe echt geprobeerd het afval niet te zien en te genieten van mijn omgeving. Maar nu ik één van ons achteloos een flesje de struiken in zie slingeren, kan ik me niet langer afzijdig houden. Mijn klimaat-ethiek wint het van mijn antropologische pogingen tot niet oordelen. Ik wil niet de witte westerling zijn die komt vertellen hoe het moet, maar mijn woede en verontwaardiging nemen het over. En dus raap ik mijn moed en mijn beste Frans bij elkaar om deze jongen te vragen of we het flesje niet gewoon in de prullenbak kunnen gooien, “want het doet mij pijn, plastic zien liggen in de natuur, dat blijft meer dan 100 jaar liggen, snap je?” De jongen wordt stil, mompelt een “oké”. “Ik wil het wel dragen, stop maar in mijn tas,” bied ik aan. Maar nee, dat hoeft niet, dat doet hij zelf wel. 

Eén van de organisatoren drukt me op het hart dat hij dit vervuilende gedrag niet toelaat, maar het is voor mij te laat, ik heb een omslag bereikt. Ik was dan ook al behoorlijk overprikkeld door een luide busreis van drie uur, die om 7 uur ’s ochtends begon met luide muziek, zang, en uitbundig dansen (ja, dansen, in een rijdende bus). “Dit is de Marokkaanse cultuur,” vertelde degene naast me lachend toen ik zei dat ik het wel wat vroeg vond voor een feestje. “Wij maken altijd herrie als we samen zijn, maakt niet uit waar of wanneer!” Zijn statement wordt bevestigd nu we met zijn dertigen de berg op lopen. Een aantal telefoons spelen hardop muziek af, er wordt enthousiast over en weer geschreeuwd, enkelen maken speelse dierengeluiden en één van de studenten loopt zelfs trommelend op een kleine djembé de berg op. Het botst zo met mijn verwachtingen van ‘lekker de natuur in’, dat elk geluid bij mij drie keer zo hard binnenkomt. Ik probeer mijn oordelen aan de kant te zetten. In mijn eigen masterscriptie over de Nijmeegse bossen schreef ik immers niet lang geleden dat de norm van een stille ‘natuurbeleving’ ook maar een construct is. Ik begrijp dus heus wel: voor deze studenten is de berg meer een sociale ruimte dan een ‘natuurlijke’. Een plek om samen te komen, feestelijk te picknicken, foto’s te maken in een mooi decor, sámen te genieten van de omgeving. 

Een paar uur later kom ik, na een adembenemend uitzicht over het wolkendek bovenop de besneeuwde bergtop, terug bij de picknickplek waar enkelen zijn achtergebleven. Ik schuif lekker aan bij het kampvuur om mijn voeten op te warmen, die de afgelopen twee uur bij elke stap diep zijn weggezakt in de sneeuw. Nog geen minuut later kom ik razend van frustratie terug naast mijn Nederlandse huisgenoot zitten. “Mijn grote vriend van daarstraks, die van de plastic fles? Hij gooide die net zo op het vuur!” IDeze universiteitsstudenten zouden de slimste mensen van de stad moeten zijn. Juist daarom vind ik het gedrag van enkelen van hen zo moeilijk te bevatten. Als het een probleem zou zijn van educatie, dan ben ik als docent juist hoopvol en gedreven om bij te dragen aan verandering. Maar deze studenten hebben volop toegang tot onderwijs. Ik kan de situatie maar moeilijk een plek geven. 

Ik adem diep in en uit en klamp me vast aan mijn nieuwe gewoonte om op de terugweg van elke wandeling een vuilniszak te vullen met troep van de grond – gezien de hoeveelheden afval een makkelijke taak. Het is dweilen met de kraan open. Wekelijks ruimen we met een groep vrijwilligers een plek in de natuur op. En wekelijks worden we onderweg naar huis geconfronteerd met vuilnishopen zoveel groter dan wat wij hebben opgeruimd, dat het voelt alsof we recht in ons gezicht worden gespuugd. Toch ruim ik een beetje op onderweg naar huis, niet altijd omdat ik er echt in geloof dat het helpt, maar vooral omdat ik niet níks kan doen. Bezig blijven, het probleem in elk geval niet nog groter maken, en héél misschien onderweg één persoon op ideeën brengen. 

Mijn huisgenoot staat me bij. Aan de lusjes aan zijn backpack hangen een goedgevulde afvalzak en een gevonden (lege) jerrycan. Gisteren waarschuwde ik hem nog: als je meegaat, wil ik dat we ons wel genoeg blijven mengen met de rest van de groep, niet op een Nederlands eilandje kruipen. Inmiddels bevalt dat eilandje me wel. Nu ben ik ook gewoon niet zo’n (grote) groepsdier, en dat is in het collectivistische Marokko niet altijd even makkelijk. Het eindeloze wachten tot de veel te grote groep klaar is met selfies maken maakt me chagrijnig. Aan de individuen ligt het niet; er straalt veel warmte af van de manier waarop iedereen zijn of haar best doet mij erbij te betrekken. Met een verwelkomende lach word ik uitgenodigd mee te dansen, te zingen of op de foto te gaan. Iedereen graaft in zijn of haar geheugen naar een paar woordjes in een Europese taal. Nederlands, Engels, Frans – zelfs Spaans ben ik gaan zien als een taal die ik ‘een beetje ken’ omdat die in elk geval zoveel dichter bij huis komt dan het onbegrijpelijke Marokkaans-Arabisch. Momenteel spreek ik echter alleen maar non-verbaal chagrijn. Deze dag is te lang, te druk en vraagt te veel van mijn geduld. 

Mijn huisgenoot appt ondertussen met zijn beste vriend, die vanuit Nederland onze frustraties relativeert. “In Nederland heb je gewoon je bubbel, daar ga je alleen om met mensen die je mag. Daar in Marokko is je bubbel gewoon veel groter. Dus dan krijg je ook met heel veel mensen te dealen, die je in Nederland op afstand zou houden.” Meestal ben ik het die de hele dag alles relativeert, maar vandaag ben ik boos, en moe, en er even klaar mee, en dus is het wel lekker dat iemand anders die rol even overneemt. Het zet me op mijn plek: met de Marokkaanse cultuur heeft mijn rothumeur al lang niks meer te maken. Mijn frustraties ten opzichte van ‘de mens’ zijn veel universeler dan dat. Of dat nu echt een troost is weet ik niet, dus keer ik maar weer terug naar mijn opruimmissie. Bezig blijven, optimistisch blijven en me richten op alle mooie, positieve kanten van deze warme, zorgzame cultuur. Met deze trip halen de studenten immers ook geld op om een schooltje op het platteland op te knappen. Wanneer ik me de gezichten van die kinderen voor de geest haal, word ik vanzelf wat rustiger. En tegelijkertijd meer gedreven om juist voor hén verschil te maken. Stapje voor stapje dan maar.